Voor De Graanrepubliek vertellen regisseur Tom de Ket en schrijver Frank Westerman in een interview over de totstandkoming van de voorstelling. Te midden van de uitgestrekte graanvelden van Oostwold brengen zij de roerige geschiedenis van de regio tot leven.
Een fossiel van het communisme
Het in 1999 verschenen boek beschrijft de opkomst en ondergang van Oost-Groningen als de graanschuur van Nederland. De kern van het verhaal is de bittere klassenstrijd tussen rijke herenboeren en arme landarbeiders, die ervoor zorgde dat de streek een communistisch en anarchistisch bolwerk werd.
De directe aanleiding voor Westerman om het boek te schrijven, waren de Tweede Kamerverkiezingen in 1994. Het was vijf jaar na de val van de Berlijnse muur en de CPN was in Nederland inmiddels zo'n beetje opgeheven. Maar in de gemeente Beerta behaalde de partij met 50,2% een absolute meerderheid! Westerman vroeg zich af: hoe kan het dat er zo’n fossiel van het communisme in die Dollardklei ligt? Wat is daar allemaal gebeurd? Het verhaal waar hij vervolgens op stuitte was nog veel fascinerender dan hij had kunnen bedenken.
Schuldig landschap
Dat verhaal speelt nu, ruim vijfentwintig jaar na de publicatie, de hoofdrol in een grootschalige muziektheaterproductie. Op een unieke locatie: midden in een graanveld in Oostwold waar, zoals in het boek zo mooi staat beschreven, ‘het land zo weids is dat je, turend door je oogharen, de kromming van de aarde kunt zien’.
“Ik vind het een enorme eer. Het is natuurlijk een bewerking, er is fictie van gemaakt, maar wel echt met de wortels in die klei. Ik ben er ontzettend fier op dat dit verhaal wordt teruggebracht naar waar het vandaan komt en dat het landschap zo’n grote rol speelt.”
Zummerbühne sloeg voor dit avontuur de handen ineen met regisseur Tom de Ket, eerder verantwoordelijk voor succesvolle locatievoorstellingen zoals Het Pauperparadijs, Mammoet en De Drentse Bluesopera. De Ket: “Het werken op locatie vind ik heel interessant; je krijgt altijd cadeaus van de omgeving, dingen die je simpelweg niet kunt ontwerpen. Ik vind het ook altijd heel bijzonder om stukken te spelen in de omgeving waar de geschiedenis zich daadwerkelijk heeft afgespeeld. Zoals Het Pauperparadijs, dat we opvoerden bij het Gevangenismuseum in Veenhuizen. En nu staan we letterlijk in het graanveld van het Oldambt. De kunstenaar Armando noemde dat ‘schuldig landschap’; je speelt iets na op een plek die de stille getuige is geweest van die geschiedenis. Dat geeft een extra dimensie voor het publiek; de historie is er voelbaar.”
De heftigste periode
De regisseur en de auteur kennen elkaar al geruime tijd. Ze groeiden beiden op in Assen, hoewel ze elkaar toen nooit hebben ontmoet. Dat moment kwam later, en ze raakten bevriend toen De Ket Het Pauperparadijs op de planken bracht, naar het boek van Suzanna Jansen, destijds Westermans echtgenote. Westerman: “We liepen samen eigenlijk al heel lang rond met het plan om iets met De Graanrepubliek te gaan doen. Dat plan werd ineens concreet door de samenwerking met Zummerbühne.”
Waar het boek zes generaties beslaat, beperkt de theaterbewerking zich tot één specifieke, roerige periode: van 1929 tot en met de bevrijding van de Duitse bezetting in 1945. De Ket: “Ik wilde in eerste instantie het hele boek behandelen, om het epische van het verhaal in volle glorie te laten zien. Maar voor theater is dat ongelooflijk ingewikkeld; met te veel personages vervliegt je verhaal. Dus ik heb het anders opgelost. Ik concentreer me op de periode die ik zelf het heftigst vind, waarin de grootste wonden zijn geslagen. We beginnen bij de grote landarbeidersstaking in 1929 en eindigen met bijltjesdag: de afrekening met de collaborateurs en NSB’ers, na de bevrijding.”
Communisme vs. fascisme
De voorstelling draait om de enorme tegenstellingen uit die tijd. De herenboeren leefden in grote weelde; hun graanschuren waren tot aan de nok toe gevuld en ze gingen naar dansavonden in hotel Zur Blinke, net over de grens in Duitsland, waar ook de strategische huwelijken tot stand kwamen. De landarbeiders daarentegen leefden in armoede. Ze woonden in kleine huisjes en leden honger tijdens de ‘smachtmaanden’ in de winter, wachtend tot er in het voorjaar weer werk was op het land.
Die extreme uitbuiting leidde ertoe dat velen zich bekeerden tot het communisme en zich achter de vlag van de hamer en sikkel schaarden. De boerenbedrijven zouden staatsbedrijven moeten zijn, in plaats van in handen van een aantal rijke boeren.
“De allereerste revolutie gebaseerd op marxistische idealen is uitgebroken in Oost-Groningen. Niet in Rusland. Dat is toch waanzinnig?”
Als tegenreactie grepen de herenboeren naar wat er vlak over de grens in Duitsland gebeurde. Zij gingen dwepen met het landbouwbeleid onder Hitler, dat de boeren als de ruggengraat van de maatschappij zag. Westerman: “Tegenover het communisme voelde je een onderstroom van het fascisme. Het boerenfascisme, gebaseerd op Neuadel aus Blut und Boden. ‘Wij boeren zorgen voor het voedsel, we staan in de buitenlucht. Wij weten nog wat het ware leven is’ – die ideologie heeft een deel van de herenboeren omarmd. Een aantal van hen werd dan ook fanatiek NSB-lid.”
Parallellen met nu
Er was sprake van een extreme polarisatie, daarmee heeft de voorstelling ook een duidelijke link met de actualiteit. (Westerman: “Laat dat maar aan Tom over, die zorgt er altijd voor dat je naar huis gaat met iets om op te kauwen.”)
De Ket: “De scheidslijnen liggen nu anders, maar het gaat uiteindelijk altijd over de haves en de have nots. Er zijn veel parallellen te trekken met de huidige tijd: de mechanisatie die destijds opkwam en alles onder druk zette; iets soortgelijks gebeurt nu ook met de opkomst van AI. En een andere parallel is dat we tegenwoordig weer allemaal bang moeten zijn voor de Russen. Sowieso voor de ander: voor de buitenlander, voor de asielzoeker. Het gaat in de voorstelling over ontmenselijking; die irrationaliteit waarbij je de ander niet meer als mens ziet: een heel Brechtiaans thema. En het gaat over hoogmoed. Over mensen die denken dat ze boven alles en iedereen verheven zijn, omdat ze vinden dat het hen toekomt. En wat daar helaas altijd mee gepaard gaat, is de vernedering van de medemens. Als je alles al hebt, ga je blijkbaar de mensen die het minder hebben nog verder kleineren en stront laten rapen.
Maar ik ben een theatermaker, geen activist. De uiteindelijke functie van theater is dat het troost kan bieden en mensen op andere ideeën kan brengen. Je kunt je verwonderen, maar je kunt je via de geschiedenis die hier weer tot leven komt ook weer verbonden voelen met de streek én met elkaar. Ik geloof oprecht dat mensen die verbinding zoeken. En dat is precies wat deze voorstelling in dit weidse graanveld kan doen.”
Rood tegen blauw
Westerman: “Het gaat echt knetteren. Het wordt een prachtig, visueel spektakel. Wat Tom doet in zo’n groots veld, voor zo’n groot publiek, is de geschiedenis theatraal uitvergroten. De landarbeiders krijgen bijvoorbeeld rode kleren en de herenboeren blauwe. Er komen prachtige lichteffecten, er verschijnen decorstukken uit het graan... maar misschien geef ik nu wat te veel weg. Ik ben ook heel benieuwd naar de rol van de verteller. In het boek ben ik dat zelf, in de voorstelling wordt die rol vertolkt door Lotte Dunselman. Tom is erin geslaagd om de verteller een extra dimensie te geven. Het is een gelaagd personage geworden dat de onderstroom heel goed voelbaar maakt en op eigen wijze weet te duiden.”
Lokaal talent
Componist en artistiek leider van Zummerbühne Reinout Douma ontfermt zich ook deze keer weer over het muzikale deel. De Ket: “Dat doet hij heel goed; de koorpartijen zijn ontzettend emotionerend en in de muziek hoor je heel duidelijk de contrasten terug: het aardse, rauwe karakter van de landarbeiders tegenover het lyrische, meer verfijnde van de herenboeren.”
Naast een cast van professionele acteurs spelen er veel amateurspelers uit de regio mee. Zij vormen de massa, zingen in het koor, maar hebben deels ook tekst. De Ket: “Ik noem het zelf liever lokaal talent. Het moeten uiteraard wel mensen zijn die begrijpen dat het geen sociaal project is, maar een professionele theaterproductie.”
In de voorstelling wordt geregeld Gronings gepraat en ook de bekende Groningse 'stugheid' komt voorbij. Daar kwam Westerman tijdens zijn onderzoek in de jaren negentig regelmatig mee in aanraking: “De eerste boer die ik destijds sprak zei: ‘Proaten? Woarover?’ Maar als je dan gaat doorgraven, komt er toch ineens een heel verhaal los en gaan de fotoalbums open. Dat geslotene, dat hoort bij dat gebied. Het waait er hard, het is kaal, het is leeg. Oost-Groningers zeggen:
"Je moet hier geen bossen planten, want dan heb je geen uitzicht meer. En als je geen uitzicht meer hebt, heb je ook geen inzicht meer in je verleden."